De briefwisseling tussen Guido Gezelle en zijn leerling en vriend Eugeen Van Oye beslaat de periode 1855-1899 en omvat 169 brieven. Uniek is dat beide kanten bewaard gebleven zijn.
Gezelle ontmoette Van Oye in 1854 op het kleinseminarie van Roeselare en werd zijn poësisleraar in 1857-1858. Hij zag in hem een toekomstig priester en dichter, maar was teleurgesteld toen Van Oye geneeskunde ging studeren. Na 1865 verminderde de frequentie van de correspondentie, toch bleef ze een leven lang duren.
Deze brieven getuigen van de intellectuele en spirituele band tussen meester en leerling. In het collectieve geheugen bepaalden ze het beeld van “Meester Gezelle” en de canon van zijn poëzie. Gezelle schreef talloze gedichten voor Van Oye, waaronder het beroemde ‘Dien avond en die rooze’. De brieven verbinden een warme vriendschapsband met een priesterlijke opvoedende rol en zijn van een hoog intellectueel niveau door culturele verwijzingen, poëticale commentaren en beschouwende passages. Gezelle toont zich hierin een openhartig, stijlbewust en ‘geleerd’ briefschrijver, waarbij genegenheid en artistieke visie hand in hand gaan. Hij beschouwde deze “dichterlijke briefwisseling” als onderdeel van zijn oeuvre en speelde met het idee om ze ooit uit te geven.
“In de wereldliteratuur kent de briefwisseling tussen Guido Gezelle en Eugeen Van Oye haar gelijke niet. De briefwisseling is uitzonderlijk exclusief en intiem, vriendschappelijk, openhartig en emotioneel. In de handschriften zijn de ups en downs van het gevoelsleven van de jonge leraar én bevlogen dichter te lezen, in gesprek met of in de spiegel van een geliefde leerling. Alleen tegenover Eugeen Van Oye heeft de meest begaafde romantische Vlaamse dichter uit ons taalgebied, zich zo volledig en vertrouwelijk geuit.”
In 1858 schenkt Eugeen Van Oye, Gezelle een roos uit zijn tuin. Naar aanleiding hiervan schreef Gezelle op 1 november om 10 u ’s avonds het gedicht Dien avond en die rooze voor Van Oye.
“Wat ik u verzekere, ’t is dat ik nog nooit een gedicht met meer vreugde en lafenis gelezen hebbe, en dat ik eeuig zal bewaren als een perel van uwe kunst en een zegel van onze heilige genegenheid, eene gedenkenisse van uwe vaderlike en teedere liefde en van mijne onwankelbare dankbaarheid. Ik heb u deze rooze gegeven, om de waarheid te zeggen, als de laatste rooze van den zomer. Dit besluit alles: ik behoef u niet te zeggen wat onze zielen weten. – Ik heb ze u, ten tweede, gegeven om eenige Poëtieke gedachten in u door mij te wekken en in d’hope van ze misschien in een Dichterbloeme weêr te mogen ontvangen.”
‘k Heb menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enkle stond verdroten.
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
die avond, neergezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die die avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zo wel voor mij als u,
- wie zal dit kwaad genezen? -
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zo lief en uitgelezen,
die roze, al was ‘t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
‘t en ware ik ‘t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u,
die avond - en - die roze!