Op 17 februari 2025 werd de online editie van de briefwisseling tussen Adolf Duclos en Guido Gezelle gepubliceerd. De uitgave omvat 132 brieven, goed voor zo’n 250 bladzijden tekst.
Het is een van de meest omvangrijke uit het archief, waarvan beide kanten grotendeels bewaard bleven. Daarbij zijn enkele merkwaardige recente aanwinsten uit het Guido Gezellearchief, evenals verloren brieven die enkel in gedrukte vorm bewaard zijn. Alle brieven zijn voorzien van registers en annotaties. In totaal omvat de online editie GezelleBrOn nu 2.525 brieven.
De brieven bestrijken de periode van het midden van de jaren 1860 tot het einde van de jaren 1890. We zien hoe Adolf Duclos als jonge priester meewerkte aan Gezelles Rond den Heerd en het tijdschrift in 1870 volledig overnam. Met zijn vastberaden aanpak maakte hij het financieel gezond, zij het ten koste van Gezelle, die zijn rechten op de teksten moest afstaan. Rond den Heerd bleef een rode draad in hun briefwisseling. Gezelle stuurde af en toe kopij, maar enkel teksten die hij al elders had gepubliceerd. Twee periodes springen eruit: 1874 en 1885. In 1874 barstte de strijd los rond het zogenaamde taalparticularisme en werd de Gilde van Sint-Luitgaarde opgericht. Een boeiend document is de brief die Gezelle ter verontschuldiging naar de eerste jaarvergadering van de Gilde stuurt. Daarin legt hij zijn visie op taal uit: “Eene tale (...) en maakt men niet, eene tale wordt, en zij wordt uit verschillige dialecten”. Tien jaar later, in 1885, was er het ruitenbrekersincident, toen Gezelle zich in een redevoering ter herdenking van Leonard De Bo uitsprak tegen studentenactivisme, hierin gestuurd door Duclos. Tussendoor volgen we hoe Gezelle zich in 1874 verzoende met Eugeen van Oye en hoe hij zich in 1881 moest verdedigen toen hij de Franstalige Histoire de Menin van Rembry-Barth verkoos boven de Nederlandstalige – maar volgens hem te Hollandse – Geschiedenis van Kortrijk door Frans De Potter.
De briefwisseling is inhoudelijk bijzonder boeiend met talrijke thema’s die over verschillende brieven heen lopen. Ze toont een levendige dialoog tussen twee kopstukken van de West-Vlaamse taalbeweging, elk met een uitgesproken persoonlijkheid. Terwijl Gezelle vond dat het gelijk vooral zichzelf moest bewijzen, was Duclos de strijder die Gezelle steeds opnieuw aanporde om expliciete standpunten in te nemen.